Columns

Dit is de nieuwste column. Alle andere columns komen in de lijst hiernaast. Klik er op om hem hier te kunnen lezen.

Hoe zeg je dat eigenlijk?

Lammy Vriesinga, 2018-10

Hoe zeg je dat eigenlijk?

 

Taal is leven, zegt de Engel van Hoorn. En leven is bewegen. Taal is voortdurend in beweging.

Taal danst, gebaart en toont. Taal zet aan tot en ontroert. Kortom, wie taalt, die speelt.

Hoewel we de taal serieus nemen – we bepalen regels, maken afspraken, fronsen onze wenkbrauwen

bij onjuistheden als hun hebben en overnieuw, is taal toch ook – en misschien vooral – een spel.

Met taal kun je stoeien, gek doen. Maar dan moet je wel met anderen zijn.

Kinderen bijvoorbeeld, die de taal nog aan het ontdekken zijn.

 

Met twee kleinzoons ben ik op weg naar de supermarkt. Tijn, die net een beetje kan lezen, kijkt naar

de straatnaamborden en spelt de namen. Wollegras – Kropaar – Kaaspers.

‘Oma wat zijn dat voor dingen?’

‘De straten zijn genoemd naar planten. Wollegras is ook een plantje.’

Tom wil weten hoe zo’n plant eruitziet. ‘Groeit er een Wollegrasje in  jullie tuin?’

Tot zijn teleurstelling hebben wij dat niet. Maar ik vind het wel een goed idee.

‘Als we straks thuis zijn zoeken we het op.’

‘Waar ga je dat plantje dan zoeken?’

‘Op de computer. Dat heet internet.’

‘O ja.’ Tijn herinnert zich iets. ‘Internet. Dat hebben we ook op school.’

Terwijl we doorlopen hoor ik Tom een paar keer dat woord mompelen. Internet.

Hij kijkt bedenkelijk.

‘Internet is geen plant, hoor Tom,’ zeg ik. ‘Met internet op de computer kun je van alles opzoeken.’

‘Ja, dat weet ik wel, oma. Maar als je dat eh…Wolgrasje op de computer ziet, hoe krijg je het dan in de tuin?’

Goeie vraag. ‘Dat zoeken we ook op.’

‘Op internet?’

Inderdaad, op het internet.

 

Inmiddels zijn we in de supermarkt. Tijn sleept het mandje-op-wielen achter zich aan. Tom doet hetzelfde met de   boodschappentas. Ik werp een blik op het lijstje dat opa Koos heeft geschreven. De benodigdheden die we thuis kriskras op een memobord noteren, heeft hij netjes op een papiertje gerangschikt.

Nu is Koos een meester in het spelen met taal. Ik lees hardop wat hij zoal heeft opgeschreven. Vooral lekkere dingen, zie ik.

‘Kindapaas,’  lees ik.

Tijn remt af. ‘Wat zeg je?’

Ik herhaal ‘Kindapaas.’

Het duurt even, dan snappen ze het. Als het artikel in de mand ligt ga ik verder.

‘Slagelhag…, Sietruiker…’

En tot grote hilariteit van de broertjes: ‘Brentenkollen.’

Die gekke opa, toch. En hij is nog wel schoolmeester.

Woopstrafels vraagt iets meer bedenktijd. Bij Keverlaas moet ik een handje helpen, maar

Vange-lingers heb ik nog niet uitgesproken of het ligt al in de mand. Nooit eerder was boodschappen doen zo super, dankzij opa’s lijstje. Daar kan geen internet tegenop.

 

Die avond leest opa voor uit ‘Pannenkoekentaart’ van Sven Nordqvist.

Tijn luistert vol aandacht.  Tom is er niet helemaal bij met zijn gedachten.

Iets houdt hem nog bezig.

‘Opa, pannenkoekentaart, hoe zeg je dat in het geks?’

Reacties zijn gesloten.